naar
page 1
Het niet te omschrijven gebeuren.  De wreedheid van de oorlog. Het hier volgende omschrevene
is een poging te verwoorden. Hoe je terecht komt in een oorlog.  Hoe je tracht te overleven.
Hoe je verbaasd om kijkt, als het achter de rug lijkt te zijn. Hoe je er nooit meer vrij van komt.
In mijn geval globaal beginnend in de crisisjaren 30 van de vorige eeuw. De mobilisatie in 1939
De overval in 1940 door het duitse leger op ons land. De bezetting. Onderduiken. Verraad. Kampervaringen.
Bevrijding door de Russen.
Terugkeer.
Het is een chaotische vertelling.
Je weet niet waar te beginnen.
Ongeveer 15 jaar na 1945. Toen die oorlog
voor mij leek ge-eindigd te zijn
kwamen de eindeloze nachtmerries.
Zeg maar herhalingen van belevenissen.
Badend in zweet wakker worden.
Slaap-tekort nekte mij.
Mijn lichaam raakte in het ongerede. Werken ging niet meer.
Schrijf het op werd mij aanbevolen.
Ik probeerde het.

Aanvankelijk met pen en inkt.
In het begin was het velletje papier vaak natter van tranen dan van  inkt.
Ontsnapping *Flarden * 
auteur : D. Sonderland
Hij had toch al veel vissen gezien. Maar wat hij nu hoorde.
Hij was toch al 6 jaar. In de zomer geworden. Zo groot !?
Hij probeerde het zich voor te stellen.
Het waren toch grote mensen. Buurman Pauw Verbeek.
Buurman Jongkind. Buurman Visser. Pa.
Ze zaten in de kamer te klaverjassen. Pa en de buren.
Nou ja, Pauw was dan wel een buurman,
maar ook de vriend van Pa.  Pa heette Klaas Sonderland.
Wat grote mensen elkaar vertellen dat moet toch waar zijn.
Zeker omdat zij niet wisten dat hij alles gehoord had.
Pa viste met zijn vriend. Hij had een speciale roeiboot met een visbun.
Ze visten met fuiken. Hij had een poosje geleden ook gehoord dat de
politie op hen lette omdat je niet zo maar mocht vissen.
Daarom stopten ze de visstokken waar de netten aan vast zaten tot ver
onder water. In de nacht haalden ze de fuiken boven water en namen
de gevangen vissen mee naar het eilandje. Daar werden ze in
een bun gestopt die helemaal onder water verdween.
Hij sliep met zijn broer op zolder. Maar die was al bijna 14. Hij werkte al.
De matras lag precies boven de kamer.  In de vloer vlak voor de matras
daar zat een grote kwast in een plank. Als je er voorzichtig heen kroop
dan kon je zonder dat ze je hoorden, luisteren. Met je oor er op kon je
horen wat er gezegd werd. Met je oog ervoor kon je de halve kamer zien.
Pauw Verbeek was er over begonnen. Over die vis. 
Die zo groot was als een zeilschip. Maar dan zonder mast. Hij had met een
pikhaak van 4 meter lang geprobeerd hem te vangen. Die was rechtovereind in
die vis blijven zitten. Dat was dus niet gelukt. De brugwachter van de spoorbrug
had het ook met een pikhaak geprobeerd. Met 2 overeindstaande pikhaken in
zijn rug was de vis gewoon doorgezommen. De brugwachter van de draaibrug
                           dacht dat er een  vrachtschip met 2 masten aankwam.
















Hij had de brug voor hem open gedraaid. Blauwe Dorus die vlak voorbij de draaibrug woonde had hem voorbij zien komen. En Gerrit Buis Had hem ergens op de grote poel gezien. Dus het moest wel waar zijn. Misschien kwam hij uit het Haarlemmermeer. Uit de tijd toen de dijk er nog niet was. Je weet het maar nooit. Maar nu woonde hij op de dijk die om het meer gemaakt was. Je zag niets meer van het water van toen. Het was allemaal weggepompt. Hij moest zich wel verscholen hebben in de meren die ervan overgebleven waren.

Jammer genoeg moest hij nu naar school. Dat was maar niets. Het liefst speelde hij buiten.
Deze zomer had moeder hem leren zwemmen. In het kanaal. Direct voor de deur.Gewoon met een half lege fietsband om aan een stuk touw. Toch wel knap van haar. Zelf kon ze niet eens zwemmen.  Ze had er schrik van gekregen. Zijn nichtje Marietje van 5 jaar, was bij de stoep verdronken toen ze bij tijdelijk bij hen woonde.
Dat was  pas 2 jaar geleden.  Nu konden we allemaal zwemmen. Adrianus, Adriana, Marietje en ik. Gerda nog niet. Maar die was pas 3.













Het buurtje was wel gezellig. 5 dubbele huisjes op een rij. Zijn vriendje Dick woonde 2 huizen verder.
Aan de andere kant van opoe. Zelf woonde hij in het huis bij de lantaarnpaal. Dat was wel fijn.
Je kon als het donker werd in de tuin een boek lezen. Zoveel licht gaf hij.
Links van de steeg woonde opoe Kok. Die had  6 roeiboten die ze verhuurde.
Als het veel regende kreeg je van haar een halve cent.  Maar dan moest je ze wel alle 6 leeghozen.
                                                                                                                            









Het geluid van motoren, van schepen die in de nacht voorbij voeren, de slaap betoverend.
Zo was dat in mijn kinderjaren. Tussen 1924 en 1938.
Het verlangen om te ontdekken.                                 
Wat er nog meer was behalve hetgene,
dat ervaren werd op de polderdijk. In de polder.
In de sloten. Op de veldweg.
Lopend naar school in de tijd van het kind zijn.
Waarin elke nieuwe ervaring verbazingwekkend is
In die tijd ontstaat wel de beeldvorming
Het idee hoe je wereld mooi zou zijn.
Uit dat onbewuste verlangen komen de impulsen
die je besluitvorming beinvloeden. Stap voor stap.
Onbewust het beoogde doel naderend

Verdwaald in een mist van herinneringen tast ik mij een weg.
          Waar begon het begon.
          Ik zal moeten zoeken in mijn brein.
         Herinneringen die ik in feite niet op kan schrijven.
         Om dat ze nog steeds emotionèren.
         Ook  nu, bijna 70 jaar later, 
               


namen van personen zijn niet altijd indentiek.
informatie gevraagd over Adrianus Sonderland